 |
 |
 |
 |
   e
‘rocken’ van de Stadspijpers worden gekenmerkt door de mouwen,
die eigenlijk uit losse repen bestaan maar op sommige plaatsen
aan elkaar zijn vastgemaakt. Uit de zo ontstane splitten bolt
het ruime witte hemd, zoals dat rond 1530 gebruikelijk was.
Bij het huidige ontwerp is gekozen voor laken, de stof die gebruikelijk
was voor stadsdienaren. Voor de Stadspijpers komen er in de
stadsrekeningen ook uitgaven voor zijde voor. Hiermee werden
de mouwen zodanig gevoerd, dat het nog wat zichtbaar was. Ook
de paar splitjes in het lijf werden met zijde afgewerkt.
Als de stad vertegenwoordigd werd, waren de gebruikte kleuren
groen en rood of ‘peers’. De hoofdkleur van de ‘rocken’ is dan
ook groen, afgewerkt met donkerrood. 
De Stadspijpers bewegen zich voort op de zogenaamde ‘koemuilen’, het schoeisel dat de grote mode was in de eerste helft van de zestiende eeuw. Voor de hoofdbedekking is gekozen voor platte baretten met een rand, zoals die in deze periode werd gedragen.
Over de groene doubletten dragen de Stadspijpers bij sommige gelegenheden
rode tabbaarden, een soort mantel die tot over de knie reikt. Deze
tabbaarden hebben een omvangrijke korte pofmouw en zijn afgezet met -
imitatie - zgn, 'swart bont' (Bossche bontwerkers waren bekend om de
kwaliteit hiervan). Op de linkermouw is een geborduurde versie van de
brodsie bevestigd.
|
 |
 |
 |
 |